submenu

Archeologe Marie-Claude Van Grunderbeek - 16/03/2020

Onderzoek naar vergeten cultuur

De voorbije jaren zag Marie-Claude Van Grunderbeek stukje voor stukje haar band met Wezembeek-Oppem doorgeknipt worden: haar moeder is er al een paar jaar niet meer en het huis waar ze opgroeide werd met de grond gelijkgemaakt, maar de herinneringen blijven.

Marie-Claude woont ondertussen in Oostende, ze volgde haar man naar de kuststad. ‘Hij ging vroeger al graag en veel naar de kust, en wilde er na zijn pensioen gaan wonen. Aangezien hij 17 jaar ouder is dan ik en al vroeg met pensioen kon, woont hij er al langer dan ik. We hebben dus een tijdje deeltijds apart gewoond: ik in de week in Anderlecht en in het weekend samen in Oostende. Toen ik anderhalf jaar geleden ook met pensioen moest, en zijn gezondheid te wensen overliet, ben ik bij hem ingetrokken’, vertelt ze.

In de schaduw van het klooster

Marie-Claude groeide op in Oppem in de buurt van het klooster van de paters passionisten. ‘Wezembeek, Oppem en Bel Air (Schone Lucht) waren toen nog duidelijk gescheiden kernen. Oppem was erg levendig. Er waren veel feestelijkheden en er was altijd wel iets te doen. Ik zat ook bij de Chiro, waar ik alle leeftijdscategorieën doorlopen heb en uiteindelijk ook in de leiding zat.’

Het huis waarin ze opgroeide werd door haar vader ontworpen. ‘Hij was architect. Hij heeft een aantal gebouwen in Wezembeek- Oppem ontworpen. Maar de architectuur van de jaren zestig voldoet niet meer aan de huidige normen, en dus zijn een aantal van zijn ontwerpen recent afgebroken. ‘Het huis waarin ik opgroeide is er niet meer, ook de school langs de Mechelsesteenweg is er niet meer en de gemeentelijke feestzaal verdwijnt nu. Ik snap het wel, maar vind het toch spijtig.’ Ze herinnert zich goed dat haar vader een erg drukke job had: ‘Hij werkte veel, en mijn moeder hielp hem met de administratie. Ook zij had het druk met haar huishouden, want we waren met vier kinderen thuis. Ik had nog drie oudere broers.’

Van Frans naar Nederlands

‘Van Grunderbeek is een populaire naam in de streek’, zegt Marie-Claude. ‘Zeker in het Brusselse was de familienaam goed vertegenwoordigd. Ik herinner mij dat ik onze naam eens in het telefoonboek opzocht en anderhalve pagina vol met Van Grunderbeeks vond!’    

Hoewel haar ouders Franstalige Brusselaars waren en de taal van Molière thuis de voertaal was, ging Marie-Claude naar de Nederlandstalige school en koos ze overtuigd voor het Nederlands als ‘haar’ taal. ‘De lagere school lag op een paar minuten te voet van ons huis. Later ging ik naar het Mater Dei-lyceum in Sint-Pieters-Woluwe. En nog later ging ik studeren aan de KU Leuven. Ik koos voor Oudheidkunde en Kunstgeschiedenis. Men verklaarde mij gek omdat ik die richting koos, omdat er geen toekomst in zou zitten. Maar voor mijzelf was het de goede keuze.’ Toch lag haar eerste job niet echt in de lijn van die studies: ‘Ik ging werken als ambtenaar op de kanselarij van de eerste minister. Niet mijn droomjob, maar ik verdiende er geld mee.’

Op haar 35e vertrok Marie-Claude uit Wezembeek- Oppem: ‘De gemeente was te duur geworden, de verbinding naar Brussel met het openbaar vervoer duurde te lang, en ik zag de gemeente in korte tijd erg veranderen. Ik trok naar Anderlecht, aan de andere kant van de metrolijn. Ik koos voor een huisje in de Porseleinstraat aan de Sint- Guidokerk. Daar ontmoette ik mijn man, een rasechte Anderlechtenaar.’

Spitten in Rwanda en Burundi

Er bleef gelukkig nog wat tijd over om ook bezig te zijn met wat haar echt boeide: oudheidkunde en archeologie. ‘Ik was als losse medewerker verbonden aan het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren. Via contacten die ik had, kon ik in de jaren 70 en 80 tien keer voor zes weken naar Rwanda en Burundi vertrekken, waar ik opgravingen ging doen. Ik ging er op zoek naar overblijfselen uit de vroege ijzertijd (Urewe). Ik ontdekte er onder meer dat er in die regio rond 1.000 voor Christus al ijzer gesmeed werd, veel vroeger dan in veel andere delen van de wereld en vroeger dan algemeen aangenomen werd. Ik heb er niet alleen de periode van die cultuur uitgebreid, maar ook de vormen van het aardewerk kunnen herstellen, ijzersmeltovens in tekening kunnen reconstitueren en de invloed van de menselijke activiteit op het milieu, vooral boskap en landbouw, bestudeerd. Het werden onderwerpen voor een doctoraatsthesis.’

Veel later ging Marie-Claude als educatieve medewerker aan de slag bij de musea van de stad Brussel, zoals in het Broodhuis op de Grote Markt. ‘We organiseerden er allerlei activiteiten  om de collecties van de musea en de geschiedenis van de stad over te brengen bij het brede publiek. We deden altijd iets speciaals voor de Erfgoeddag en werkten mee aan evenementen als Krokuskriebels of Broodje Brussel, waarbij we tijdens de middagpauze allerlei culturele activiteiten organiseerden voor mensen die in Brussel werkten.’

Met de trein naar Oostende

Sinds een paar jaar woont Marie-Claude dus in Oostende: ‘Maar ik kom nog bijna wekelijks naar Brussel, al vind ik het echt wel een flinke afstand met de trein. Naar Wezembeek-Oppem ga ik eigenlijk nooit meer. Ik heb er geen familie meer. Mijn moeder woonde er tot voor een paar jaar nog, maar eerst verhuisde ze naar een assistentiewoning, en ondertussen is ze overleden. Mijn broers zijn ook niet in Wezembeek-Oppem blijven wonen. Twee van hen zijn ondertussen overleden, mijn derde broer woont in Holsbeek, tussen Leuven en Aarschot.’

Sint-Goedele

Hoewel ze al anderhalf jaar met pensioen is, blijft Marie-Claude nog wat doorwerken. Tijd voor hobby’s is er dus niet echt. ‘Vroeger deed ik mee aan het Brusselse cabaret Createef Complot zonner Complexe, in de Vossenstraat, met Geert Van Istendael aan de piano. Maar nu is mijn werk mijn hobby: ik ben aan het einde van mijn professionele carrière met een onderzoek begonnen over Sint-Goedele en ik wil dat toch nog helemaal afwerken. Ik kwam tot de vaststelling dat er over die andere heilige waaraan de kathedraal gewijd is, Sint-Michiel, al veel onderzoek gedaan was, en dat de meeste mensen hem wel kennen. Maar Sint-Goedele is voor velen een mysterie.’

Tekst: Maarten Croes
Foto: Tine De Wilde
Uit: uitgekamd maart 2020