submenu

Koen Brosens over Vlaamse wandtapijten bloed, zweet en tranen - 20/04/2017

De dynamiek van gemeenschappen

Achter de schitterende Vlaamse wandtapijten van de 17e en 18e eeuw verbergt zich een harde werkelijkheid van bloed, zweet en tranen. Op uitnodiging van het Davidsfonds onthult Koen Brosens, hoofddocent aan de KU Leuven, via scherpe verhalen het sociale weefsel achter de kunstwerken.

Koen Brosens(1974) werkt als hoofddocent bij de onderzoeksgroep kunstwetenschappen van de KU Leuven. Naast deze onderwijs-opdracht, doet hij onderzoekswerk. Hij is ook lid van de Jonge Academie, een groep van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten. Jonge toponderzoekers en -kunstenaars dragen via deze vereniging bij tot de publieke beeldvorming over wetenschap en kunst. Ook reflecteren ze er over pijnpunten, zoals de publicatiedruk van academici. Brosens zijn agenda zit tjokvol.
 

Een berg e-mails

‘Ik doceer zes vakken’, zegt Brosens. ‘Daarnaast leid ik een onderzoeksteam, wat behalve management ook veel lees- en schrijfwerk inhoudt. Dat lezen en schrijven doe ik graag. Maar al die taken genereren vergaderingen en een gigantische berg e-mails waar we ons proberen door te spartelen. Dan zijn er nog de publicaties in wetenschappelijke tijdschriften en het herschrijven van wetenschappelijke artikels voor een breder publiek. Tot slot zijn er nog de boeken, waarvan het recentste boek Vlaamse wandtapijten in 50 verhalen, dat ik samen met Astrid Slegten en Klara Alen schreef, het uitgangspunt van de lezing in GC de Kam is.’ 

In dit boek lees je hoe een wandtapijt tot stand komt, welke kunstenaar het ontwierp, en waarom hij een bepaald thema koos. Maar het boek verhaalt ook hoe de ambachtswereld gestructureerd was. Zo kom je bijvoorbeeld te weten dat de wevers door hun werkgever goed behandeld werden. Ze beschikten zelfs over een persoonlijke ziekenkas.
 

Net terug uit Chicago

Brosens is net terug uit Chicago, waar een jaarlijks congres voor kunsthistorici plaatsvond. ‘De bedoeling van zo’n congres is vooral netwerking. Collega’s wisselen informatie uit over de lopende onderzoeken. Ook mijn team gaf er een presentatie. Het soort onderzoek dat we doen, wijkt af van het traditionele onderzoek. Het traditionele onderzoek vertrekt vanuit een vraag over een kunstwerk of kunstenaar. Heel wat archiefmateriaal wordt dus niet benut omdat het niet onmiddellijk relevant is. Ons onderzoek vertrekt vanuit een verzameling gegevens zoals brieven, facturen, contracten … 

Met al die gegevens brengen we de sociale netwerken in kaart. We traceren de dynamiek van mensen die tot een gemeenschap of een familie toetreden of die verlaten. Die dynamiek gaat ver over onze landgrenzen heen. Op die manier krijg je een totaalbeeld, inclusief de sociale en economische aspecten die aan kunst gekoppeld zijn. Onze onder-zoeksmethode genereert niet alleen nieuwe inzichten, ze vraagt ook een nauwe samenwerking met andere disciplines zoals statistiek. Door de benadering vanuit een veelheid van gegevens, besef je ook dat er nog heel wat gegevens ontbreken. De blinde vlekken moet je op een statistische manier proberen in te vullen. We moeten de gegevens ook consulteerbaar op-slaan. Er komt heel wat bij kijken.’

‘Bij onderzoek over wandtapijten gaat het om een hele reeks mensen: de verzamelaar, de tapijtontwerper en het atelier dat voor de uitvoering zorgt. Binnen dit atelier gaat het dan zowel om de directeur als om de handwerklieden: de wevers, de wolververs … Veel archiefmateriaal komt uit notariële akten, procesdossiers die wanbetalingen of contractbreuken moesten beslechten. Een wandtapijt was in die tijd bijzonder duur. Dat materiaal levert ons niet alleen stof op voor smeuïge verhalen, maar op die manier kunnen we ook de koppeling maken naar de actualiteit, wat de lezing ook voor buitenstaanders boeiend maakt.’


Stiefmoederlijk

Wandtapijten worden gecatalogiseerd bij decoratieve of toegepaste kunst, waardoor ze doorheen de jaren wat stiefmoederlijk behandeld werden. ‘Er wordt naar wandtapijten gekeken als naar een geweven schilderij, maar het is veel complexer. Een goede schilder is niet altijd een goede ontwerper van een wandtapijt.'

'Als een schilder veel beige, bruine tonen in zijn ontwerp gebruikt, levert dat misschien een goed olieverfschilderij op, maar de subtiele kleurnuances gaan verloren bij een weefuitvoering. Goede wevers pasten die ontwerpen aan, wat anderen dan weer betreurden als een inbreuk op het genie van de ontwerper. Wandtapijten zijn ook monumentaal; de ruimte waarin ze worden opgehangen speelt een grote rol. Bovendien zit in zo’n tapijt beweging. Het is een levend decor dat een dialoog aangaat met de toeschouwer.’
 

En dan is er ook nog Bob

‘Door al dat werk is het zoeken om alles in evenwicht te houden. Want mijn partner en mijn zoontje nemen ook een belangrijke plaats in mijn leven in. En tot slot is er nog Bob.’ Brosens is een Bob Dylan-expert. ‘Het is ook een vorm van wetenschap’, lacht hij. ‘Of is het toch een verslaving? Alles wat over die man verschijnt, wil ik gelezen hebben. Hij is gewoon fenomenaal. Eind april ga ik naar zijn optreden in Antwerpen, misschien moet ik het publiek waarschuwen: I will be energized.’ Wij zijn overtuigd. Een goede raad: mis deze lezing niet, het is ook de laatste voorstelling in de tour van Brosens.
 

Tekst: Karla Stoefs / Foto: Tine De Wilde
(Uit: uitgekamd, mei 2017


donderdag 4 mei • 20 uur 
Lezing Bloed, zweet en tranen. En Vlaamse wandtapijten.
Door prof. dr. Koen Brosens (KU Leuven)
GC de Kam, 02 731 81 84, jan.pollaris@pandora.be